De luipaardgekko: een nachtdier dat geen klimterrarium nodig heeft

Een gekko met oogleden die niet aan ruiten plakt
De luipaardgekko, Eublepharis macularius, komt uit de droge, rotsige gebieden van Pakistan, Afghanistan en Noordwest-India. Hij wijkt op twee punten af van het beeld dat de meeste mensen van gekko's hebben. Hij heeft beweegbare oogleden, wat bij de meeste gekko's ontbreekt, en hij heeft geen hechtlamellen aan zijn tenen. Hij klimt dus niet tegen glas op en leeft grotendeels op de grond.
Dat maakt de verzorging eenvoudiger dan bij veel andere reptielen. Een luipaardgekko heeft geen hoog klimterrarium nodig en geen hoge luchtvochtigheid. Hij is rustig van karakter, laat zich goed hanteren en is samen met de baardagaam een van de meest geschikte reptielen voor wie begint.
Vijftien tot twintig jaar
Luipaardgekko's worden vijftien tot twintig jaar oud en in uitzonderlijke gevallen dertig. Dat is voor een dier van twintig tot vijfentwintig centimeter opmerkelijk lang en het is iets om vooraf te wegen.
Een bijzonderheid: bij luipaardgekko's wordt het geslacht bepaald door de temperatuur tijdens de incubatie van het ei, niet door chromosomen. Rond de tweeëndertig graden komen vooral mannetjes uit, bij lagere temperaturen vooral vrouwtjes. Voor de houder is dat vooral van belang om te weten dat het geslacht bij jonge dieren nog niet altijd duidelijk is.
Warmte van onderen, en het vochtige hok
Anders dan bij de baardagaam werkt een spotlamp bij deze soort minder goed, omdat luipaardgekko's schemer- en nachtactief zijn en overdag onder stenen liggen. In de natuur nemen ze warmte op via de opgewarmde ondergrond. Gebruik daarom een warmtemat of warmtekabel onder een deel van de bodem, aangesloten op een thermostaat, met een oppervlaktetemperatuur van ongeveer tweeëndertig graden aan de warme kant en vierentwintig aan de koele kant.
Onmisbaar is een vochtig schuilhok: een gesloten bakje met een ingang, gevuld met vochtig sphagnummos of keukenpapier. Daar vervelt het dier in. Zonder die vochtige plek blijven bij het vervellen restjes huid achter, vooral rond de tenen en de oogleden, en die snoeren af — een van de meest voorkomende problemen bij deze soort.
Het terrarium
Voor één volwassen dier volstaat tachtig bij veertig bij veertig centimeter, en groter mag altijd. Hoogte is minder belangrijk; oppervlak wel. Richt in met stenen, kurkschors en minstens drie schuilplekken: een aan de warme kant, een aan de koele en het vochtige hok.
Over uv-B is de laatste jaren het inzicht veranderd. Lang werd gedacht dat een nachtdier het niet nodig heeft, maar onderzoek laat zien dat een lage uv-B-waarde het welzijn en de botopbouw verbetert. Een zwakke uv-B-lamp met een schuilplek in de schaduw is daarom aan te raden. Gebruik geen los fijn zand als bodem bij jonge dieren: dat wordt bij het jagen meegeslikt en veroorzaakt verstoppingen. Keukenpapier, tegels of een gemengd leemsubstraat zijn veiliger.
Voeding
De luipaardgekko is een strikte insecteneter. Hij eet krekels, sprinkhanen, kakkerlakken en af en toe een wasmot- of meelwormlarve. Groente en fruit hoeven niet en worden ook niet gegeten.
Twee dingen zijn belangrijk. Ten eerste moeten de insecten zelf goed gevoerd zijn voordat u ze aanbiedt — een uitgehongerde krekel is een leeg omhulsel. Ten tweede moeten ze bestoven worden met calciumpoeder, en enkele keren per week met een vitaminepreparaat met D3. Zet daarnaast een klein bakje met puur calciumpoeder in het terrarium; het dier likt er zelf van als het tekort heeft. Volwassen dieren eten twee tot drie keer per week, jonge dieren dagelijks.
De staart en het gedrag
De dikke staart van een luipaardgekko is een vetreserve, en de dikte ervan is de beste indicator van de conditie: een dunne staart betekent een dier dat te weinig eet of ziek is. Bij ernstige schrik kan hij de staart afwerpen — autotomie — waarna die kronkelend achterblijft om een roofdier af te leiden. Hij groeit terug, maar dikker, korter en zonder het oorspronkelijke patroon.
Pak een luipaardgekko daarom nooit bij de staart en til hem niet van bovenaf. Laat hem op uw vlakke hand stappen. Ze zijn rustig en bijten vrijwel nooit. Houd ze alleen: mannetjes vechten hevig, en meerdere dieren samen leidt tot stress en tot onderdrukking van het zwakste dier.
Voedseldieren en het opkweken ervan
Wie een luipaardgekko houdt, houdt in feite ook insecten. Krekels en kakkerlakken moeten in huis bewaard en gevoerd worden, en de kwaliteit daarvan bepaalt rechtstreeks de gezondheid van de gekko. Een insect dat uit de winkel komt en twee dagen niets heeft gehad, is voedingsarm; een insect dat een dag op wortel, havermout en groente heeft geleefd, is een volwaardige maaltijd. Dat heet opwaarderen en het is bij insectenetende reptielen de belangrijkste stap die wordt overgeslagen.
Houd de voedseldieren in een gladde bak waar ze niet uit kunnen klimmen, met eierkartons als schuilplek. Kakkerlakken zoals de Dubia zijn in de praktijk prettiger dan krekels: ze klimmen niet tegen glas, ze piepen niet, ze ruiken minder en ze leven langer. Bestuif ze vlak voor het voeren met calciumpoeder door ze in een zakje met poeder te schudden.
Voor wie is een luipaardgekko geschikt
De luipaardgekko past bij wie een klein, rustig reptiel wil dat weinig ruimte inneemt, geen geluid maakt en makkelijk te hanteren is. Hij is de goedkoopste en eenvoudigste van de gangbare reptielen om goed te huisvesten en daarmee een uitstekende eerste keuze.
Hij past minder goed bij wie een dier wil zien bewegen overdag; luipaardgekko's slapen dan. En hij past niet bij wie geen levende insecten in huis wil hebben, want dat is het complete menu. Wie liever een dagactief reptiel heeft, kijkt beter naar de baardagaam.



